Legal insight

D. CASAER en P.J. AERTS, “Facebookfoto’s en privacy: wie niet weg is, mag gezien worden”, De Juristenkrant, maart 2016

Het Luikse hof van beroep heeft onlangs het gebruik van Facebookfoto’s toegelaten als bewijs in een zaak van burgerlijke aansprakelijkheid. De privacyinstelling van de gebruiker speelden daarbij een rol.

In tegenstelling tot rechtshandelingen die bewust worden gesteld met de bedoeling om bepaalde rechtsgevolgen te veroorzaken (bijvoorbeeld het plaatsen van een handtekening op een contract), zijn rechtsfeiten niet onderworpen aan het gereglementeerde bewijs van de artikelen 1315 e.v. BW. Rechtsfeiten als handelingen, omstandigheden of gebeurtenissen waaraan door het recht rechtsgevolgen worden verbonden, kunnen worden bewezen door alle mogelijke bewijsmiddelen, maar alleen voor zover die bewijsmiddelen geoorloofd zijn. Het al of niet geoorloofd zijn van enkele Facebookfoto’s stond centraal in deze zaak.

De feiten van de zaak zijn redelijk banaal: op 27 mei 2009 maakten twee mannelijke studenten ruzie om een meisje in wie beiden interesse hadden. Als slotstuk verkocht een van de studenten de andere een oplawaai waarbij die laatste, het slachtoffer, zijn neus brak en naar de rechtbank stapte. Bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg - drie jaar na de feiten - verklaarde het slachtoffer dat hij door de opgelopen verwondingen enkele examens had moeten overslaan en vervolgens zelfs had moeten bissen. Tijdens de procedure kwamen er echter enkele facebookfoto’s boven water waaruit zou blijken dat het slachtoffer al twee dagen na het handgemeen het beste van zichzelf had gegeven op een studentenfeestje en slechts lichte verwondingen had opgelopen. De geweldpleger wilde dan ook gebruikmaken van die Facebookfoto’s om zijn aansprakelijkheid te milderen.

Los van de waarachtigheid van de beweringen van beide partijen in deze zaak is het gebruik van een Facebookfoto als bewijs in rechte interessant te noemen. De rechter in eerste aanleg besliste dat de Facebookfoto’s moesten worden geweerd, niet omwille van schending van de privacy maar wel aangezien ze niet op een wetenschappelijke manier konden bijdragen aan de schadebegroting en slechts een momentopname weergaven. Daartegen stelde de geweldpleger hoger beroep in. Het slachtoffer argumenteerde in hoger beroep dat het gebruik van Facebookfoto’s onrechtmatig is want strijdig met de wet op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en bovendien een inbreuk uitmaakt op zijn portretrechten.

Foto’s toegelaten

Het hof van beroep veegde die argumentatie van tafel met als motivering dat die wet niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens die een natuurlijk persoon verricht met uitsluitend persoonlijke doeleinden, zoals hier het geval was. Lees: een huisfotoboek op internet met leuke vakantiekiekjes en herinneringen aan ander persoonlijk vertier vallen niet onder de privacywet. Ook de argumentatie rond de schending van de portretrechten van het slachtoffer werd niet relevant geacht aangezien er geen sprake was van publicatie of verspreiding van de foto’s. Bovendien waren de Facebookfoto’s, genomen op een openbaar feestje, toegankelijk voor een veelheid aan personen, onder wie de verdachte. Ook de betwisting van de authenticiteit van de foto’s werd door de rechtbank verworpen.

Opdat een Facebookfoto in rechte kan worden gebruikt moet het een geoorloofd bewijsmiddel zijn. Het geoorloofd karakter van het bewijsmiddel valt uiteen in drie vragen, namelijk of het bewijsmiddel intrinsiek rechtmatig is, en dus niet vertrouwelijk of vals is of strijdig met de openbare orde of de goede zeden; of het bewijsmiddel rechtmatig werd verkregen, en dus niet door een misdrijf, schending van de wet of met miskenning van de privacy; en of de onregelmatigheid niet kan worden rechtgezet in het licht van de Antigoonrechtspraak in burgerlijke zaken die stelt dat een bewijsmiddel niet als onrechtmatig stuk kan worden geweerd als geen op straffe van nietigheid voorgeschreven norm werd miskend, de betrouwbaarheid niet werd aangetast door de bewijsverkrijging, noch het recht van verdediging werd miskend (B. Samyn, Privaatrechtelijk bewijs, Gent, Story, 2012, pp. 56-75). Het hof van beroep heeft vastgesteld dat, als er toch sprake zou zijn van een onrechtmatigheid, de voorwaarden voor de Antigoonrechtspraak werden vervuld en de Facebookfoto’s toelaatbaar waren in de procedure.

Wat de manier van bewijsverkrijging betreft, is het belangrijk te weten of de Facebookfoto’s in kwestie privé waren (alleen toegankelijk voor bepaalde ‘vrienden’) of voor iedereen toegankelijk. Die vaststelling reflecteert immers de privacyverwachtingen van de gebruiker, zodat die, in overeenstemming met artikel 8 EVRM en artikel 22 GW, de eerbiediging van het privéleven kan genieten. Die voorwaarde kan bijgevolg ook al het antwoord bieden op het ongeoorloofd karakter van het bewijsmiddel ten aanzien van derden, niet-gebruikers, die door Facebook worden gevolgd en geregistreerd, wiens privacyverwachtingen absoluut (moeten) zijn. In deze zaak waren de Facebookfoto’s echter ruim toegankelijk, waardoor de privacyverwachtingen de Facebookfoto’s niet dekten en ze in rechte als bewijsstuk konden worden gebruikt.

Bovendien, hoewel dat hier niet ter sprake kwam, kan de kennisname en het gebruik van de Facebookfoto worden getoetst aan artikel 124, 1° van de wet op de elektronische communicatie. Dat stelt dat niemand zonder toestemming van alle andere direct of indirect betrokken personen met opzet kennis kan nemen van het bestaan van informatie van alle aard die elektronisch verstuurd is en die niet persoonlijk voor hem is bestemd, noch mag er gebruik gemaakt worden van de informatie die met of zonder opzet werd verkregen. Waar in het verleden die wet al werd gebruikt om Facebookberichten te toetsen, is die uiteraard ook relevant voor Facebookfoto’s. Zo oordeelde de rechtspraak al dat er toch gebruik gemaakt kon worden van openbare Facebookberichten die niet persoonlijk aan de gebruiker werden gericht wanneer er geen toestemming werd gegeven (zie Arbh. Brussel, 3 september 2013, Juristenkrant 2013, nr 278, 6, D. Casaer). Zoals hoger aangehaald kan men namelijk artikel 124,1° van de wet op de elektronische communicatie omzeilen door de toetsing van de Antigoonrechtspraak in burgerlijke zaken.

Met de uitspraak van het hof van beroep in Luik wordt, hoewel die evolutie in de rechtspraak te verwachten viel, het gebrek aan privacy op de sociale netwerksites nog scherper gesteld. Gelet op de (soms opgedrongen) openheid van die netwerksites naar de buitenwereld toe, zou ook de publieke bewustwording van dat fenomeen mee moeten groeien. De werkelijkheid leert echter dat het publiek nog altijd te weinig bekommerd is om het belang van zijn eigen privacy en pas te laat merkt dat een te lakse privacybescherming ook nadelige gevolgen kan hebben.

Pieter-Jan Aerts en Dylan Casaer zijn advocaat.

Luik 16 februari 2016, onuitg.

www.legalworld.be

Het is belangrijk te weten of de Facebookfoto’s in kwestie alleen toegankelijk waren voor bepaalde ‘vrienden’ of voor iedereen.

De uitspraak van het Luikse hof van beroep stelt het gebrek aan privacy op sociale netwerksites nog scherper.