Legal insight

D. CASAER, "Arrest Dahmane – Bosman is nog niet “back in the house”, De Juristenkrant, May 2014

In een arrest van 6 mei 2014 kwam het Arbeidshof van Antwerpen, afdeling Hasselt, tot de verassende conclusie dat een beroepsvoetballer in geval van vroegtijdige beëindiging door de voetballer van zijn arbeidsovereenkomst gediscrimineerd wordt in vergelijking met een gewone bediende die de samenwerking met zijn werkgever stopzet.

In een arrest van 6 mei 2014 kwam het Arbeidshof van Antwerpen, afdeling Hasselt, tot de verassende conclusie dat een beroepsvoetballer in geval van vroegtijdige beëindiging door de voetballer van zijn arbeidsovereenkomst gediscrimineerd wordt in vergelijking met een gewone bediende die de samenwerking met zijn werkgever stopzet.  

 

Mohamed Dahmane sloot in 2007 een arbeidsovereenkomst als betaalde sportbeoefenaar met de voetbalclub KRC Genk voor een periode van vier jaar. Na goed anderhalf jaar en een verwijzing door de trainer naar de B-kern verbrak Dahmane in januari 2008 eenzijdig deze overeenkomst om aan de slag te gaan bij Bergen. Daarop vorderde zijn vroegere club van Dahmane een verbrekingsvergoeding gelijk aan 36 maanden loon. De arbeidsrechtbank van Tongeren volgde in 2009 de argumentatie van KRC Genk en veroordeelde Dahmane tot een fabuleus bedrag. Daarop tekende de voetballer beroep aan tegen dit vonnis bij het Arbeidshof van Hasselt.

 

Bij vergelijking van de wettelijke regeling zoals die voorzien is voor betaalde sportbeoefenaars enerzijds en voor “gewone” bedienden anderzijds, stelde het Arbeidshof zich de vraag of dit verschil in behandeling tussen beide geen ongelijke behandeling inhield en derhalve strijdig was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Doordat echter voor betaalde sportbeoefenaars de regeling deels in de wet betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (wet van 24 februari 1978) en deels in een uitvoeringsKB van deze wet (Koninklijk Besluit van 13 juli 2014) vervat zit, oordeelde het Grondwettelijk Hof na prejudiciële vraag van het Arbeidshof dat het niet aan haar was om de grondwettelijkheidstoets van een Koninklijk Besluit te verrichten. Finaal ging het Arbeidshof dan ook zelf tot deze toetsing over.

 

Vermits Dahmane bij KRC Genk een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur had gesloten bestond de sanctie eruit dat hij in feite het loon verschuldigd was tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Op deze regel voorziet de wetgever echter een beperking die erin bestaat dat deze verbrekingsvergoeding nooit hoger mag zijn dan het dubbele van hetgeen de sportbeoefenaar verschuldigd zou zijn bij vroegtijdige beëindiging van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Eenzelfde regeling is voorzien in de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 voor de “gewone” werknemers. Bij narekening bleek dat Dahmane als betaalde sportbeoefenaar een verbrekingsvergoeding van 36 maanden loon diende te betalen, daar waar een gewone bediende slechts 12 maanden loon zou moeten betalen. 

 

Waar het Arbeidshof wel aanvaard dat het sportgebeuren verschillend is van de gebruikelijke arbeidsomgeving en arbeidsrelatie, alsook dat de uitwerking van de regeling voor betaalde sportbeoefenaars als doelstelling heeft om competitievervalsing tussen sportclubs te vermijden door al te makkelijk spelers toe te laten om hun arbeidsovereenkomst vroegtijdig te beëindigen en over te stappen naar een andere club, oordeelt het Hof dat de verbrekingsregeling voor gewone bedienden die neerkomt op een verbrekingsvergoeding van 12 maanden eigenlijk zou moeten volstaan wanneer een speler vroegtijdig zijn contract wil beëindigen. Hierdoor oordeelt het Hof dat de regeling die is uitgewerkt in het KB van 13 juli 2004 voor de betaalde sportbeoefenaars strijdig is met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel. Daarnaast oordeelde het Hof hierdoor nog eens dat de regeling van het KB niet strookte met de in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van arbeid. Doordat het Hof aldus het voornoemde KB buiten beschouwing hield, viel het in haar beoordeling terug op de wet betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (wet van 24 februari 1978) waardoor zij finaal kwam tot een door de voetballer te betalen verbrekingsvergoeding van 10,24 maanden loon wat toch nog een fiks bedrag opleverde van 249.995 EUR.

 

Geen Bosman bis

Behoudens dat Dahmane werd bijgestaan door dezelfde advocaat die destijds Bosman bijstond bij het Europees Hof van Justitie (arrest van 15 december 1995, referte C-415/93) houdt de vergelijking daar ook min of meer op. In de Bosman-zaak betrof het een betwisting met een intracommunautaire dimensie doordat Bosman van de Belgische voetbalclub Luik naar de Franse club Duinkerken trok. Ook ging het Hof van Justitie over tot het toetsen van transferregels aan het Europees verdrag, meer in het bijzonder de bepalingen inzake vrijheid van werknemers. Dahmane trok van Genk naar Bergen, waardoor de intracommunautaire dimensie ontbrak. Daarenboven ging het Arbeidshof over tot een vergelijking van twee pure arbeidsrechtelijke regimes, nl. het ene voor betaalde sportbeoefenaars en het andere voor gewone bedienden.

 

Ook al kan men kritiek hebben op de oplossing die het Arbeidshof geeft aan dit geschil, toch doet het arrest een aantal interessante vragen rijzen. Zo kan men zich de vraag stellen of de wetgever destijds wel zo verstandig heeft gehandeld door voor de betaalde sportbeoefenaars slechts te voorzien in een klein stukje aparte arbeidsrechtelijke regeling zoals bijvoorbeeld inzake beëindigingsvergoedingen en voor het overige te verwijzen naar de arbeidsrechtelijke regels die gelden voor alle categorieën van werknemers. Daarnaast is uiteraard de sportwereld zoals die bestond bij het uitwerken van de regeling van 1978 sterk gewijzigd in vergelijking met vandaag. Zeker op het vlak van topsport, die gekenmerkt wordt door een grotere mobiliteit van profs tussen verschillende landen en werelddelen, gestegen budgetten en commerciële belangen van spelers, club, sponsors, internationale organisaties en media. De vraag kan gesteld worden of in deze gewijzigde context een louter nationale regeling überhaupt nog zinvol is. Daarnaast moet deze kwestie ook samen bekeken worden met andere regels zoals deze inzake fiscaliteit, arbeidsvergunningen en sociale zekerheid.